close
Naar inhoud springen

behandelen

Uit WikiWoordenboek
  • be·han·de·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behandelen
behandelde
behandeld
zwak -d volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
behandelingbehandelbaar
behandelaaronbehandelbaar
behandelde-
-

behandelen

  1. overgankelijk verwerken
    • Na een paar weken werd mijn aanvraag eindelijk behandeld. 
  2. overgankelijk bespreken, spreken of schrijven over
    • Het voorstel moest in de eerstvolgende vergadering worden behandeld. 
  3. overgankelijk, (medisch) medisch verzorgen
     We wandelden een halfuur samen en in die dertig minuten gaf hij me een gastcollege over problemen met voeten en serveerde hij me tips voor het behandelen van mijn wondjes.[1]
    • De kwaal werd nauwkeurig behandeld. 
  4. op een bepaalde manier omgaan met een mens of een dier
    • De chef behandelt zijn personeel heel goed. 
    • Het kind behandelt de hond heel liefdevol. 
     Toch had zowel de Luftwaffe als het Duitse leger de overwonnen Engelsen bij Duinkerken op de mildst denkbare manier behandeld.[2]
  5. bespreken
     Leugens! Misschien niet met opzet, maar evengoed leugens! En dat alles in plaats van bij voorbeeld het probleem te behandelen hoe iedere Nederlander zich onder een eventuele Duitse bezetting zou moeten gedragen.[3]
  • [4]: iemand als een hond behandelen
iemand slecht behandelen
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]