close
Naar inhoud springen

HMS Encounter (1934)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
HMS Encounter
HMS Encounter
Portaal  Portaalicoon   Maritiem

De in 1934 in dienst gestelde HMS Encounter (H10) was een Britse torpedobootjager, bekend van de Slag in de Javazee waar het overlevenden van de Kortenaer redde. Het schip werd tot zinken gebracht in de Tweede Slag in de Javazee.

Het schip werd gebouwd door Hawthorn Leslie and Company. De tewaterlating vond plaats op 29 maart 1934 en op 2 november 1934 volgde de indienststelling bij de Royal Navy. Het was een torpedobootjager van de E-klasse (totaal negen schepen: deze kregen een naam beginnend met "E"), volgend op de D-klasse en opgevolgd door de F-klasse.

Het schip werd al snel te werk gesteld in Brits-West-Indië en de Middellandse Zee en maakte deel uit van de blokkade van Spanje tijdens de Spaanse Burgeroorlog.

In het begin van de oorlog was de Encounter druk met konvooibescherming, nam deel aan de Noorse campagne, de Slag om Dakar en de Slag bij Kaap Spartivento. In 1941 werd ze bij bombardementen op Malta beschadigd, maar weer hersteld. Aan het einde van het jaar werd ze ingedeeld in Singapore, maar bij aankomst aldaar had ze een opknapbeurt nodig zodat ze het noodlottige einde van de Prince of Wales en Repulse misliep.

Na voltooiing van de herstelwerkzaamheden ging ze op weg naar Batavia. Op 25 februari 1942 gaf vice-admiraal Conrad Helfrich alle beschikbare schepen bevel op te stomen naar Soerabaja en zich bij de Eastern Striking Force (later Combined Striking Force) van Karel Doorman te voegen. Behalve de Encounter gingen ook de Britse zware kruiser Exeter, de Australische lichte kruiser Perth en nog twee Britse torpedobootjagers, de Electra en de Jupiter op weg.

Slag in de Javazee

[bewerken | brontekst bewerken]

Van Nederlandse kant bestond het vlootdeel dat deelnam aan de Slag in de Javazee uit de kruisers Java en De Ruyter en de torpedobootjagers Kortenaer en Witte de With. Van Amerikaanse kant waren er de zware kruiser Houston en vier torpedobootjagers. Doorman kreeg opdracht om Japanse troepenschepen te onderscheppen en vervolgens naar Batavia terug te keren: hij vond deze niet, en keerde terug naar Soerabaja. Vanwege een nieuw rapport van Japanse schepen keerde Doorman weer om en trof nu wel de Japanners. De Exeter werd getroffen en moest zich terugtrekken, vergezeld door de drie Britse torpedobootjagers en de Witte de With.

Een Japanse aanval op de Exeter werd beantwoord door een tegenaanval van de Electra en de Encounter. De Encounter wisselde zo'n tien minuten vuur met de Japanse torpedobootjager Minegumo, maar zonder beduidende schade aan een van beide. Met de Electra liep het echter slecht af. Dat was (al iets eerder) ook het geval geweest met de Kortenaer die midscheeps getroffen werd door een torpedo van de Japanse kruiser Haguro: ze zonk vrijwel meteen. Ru Crommelin was een van de 113 drenkelingen: hij bracht de mannen, die in hun reddingsboten en met hun reddingsvesten aan in de met olie bedekte zee dobberden, bijeen. Ze konden later op de avond worden gered door de Encounter en werden overgebracht naar Soerabaja.

Vanuit Soerabaja kreeg de Encounter opdracht om samen met de Amerikaanse torpedobootjager Pope de beschadigde Exeter te escorteren. Ze werden onderschept, in de Tweede Slag in de Javazee: de Encounter werd geïmmobiliseerd en in brand geschoten, waarna de kapitein het bevel gaf het schip te laten zinken. Twintig uren later werden veel drenkelingen gered door de Japanse torpedobootjager Ikazuchi, onder commando van Shunsaku Kudō (1901-1979). Een van hen was de latere Britse diplomaat Sir Sam Falle. Over deze redding is later een boek geschreven en een documentaire gemaakt. Ongeveer een derde van de geredden overleed in gevangenschap.

Het wrak werd ontdekt in 2007, op een diepte van zo'n zestig meter. Toen in 2016 een expeditie werd uitgerust om dit oorlogsgraf te inventariseren bleek het echter al gestolen.