humoriste
Uiterlijk
- hu·mo·ris·te
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | humoriste | humoristes |
| verkleinwoord |
de humoriste v
1.
- Het woord 'humoriste' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| humoriste | le/la humoriste | humoristes | les humoristes |
- (beroep) humorist
- (verouderd) persoon die gelooft in de galenische leer van de lichaamssappen
- ↑ humoriste (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Achtervoegsel -e in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 9
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Beroep in het Frans
- Verouderd in het Frans