close
Naar inhoud springen

Orionnevel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Messier 42)
Orionnevel
De Orionnevel in zichtbaar licht met linksboven De Mairans nevel
De Orionnevel in zichtbaar licht met linksboven De Mairans nevel
Type H-II-gebied
Datum ontdekking 26 november 1610Bewerken op Wikidata
Messierobject M42
New General Catalogue  NGC 1976
Overige aanduidingen 3C 145, Orion A, 4C -05.21, CTA 37, GAL 209.01-19.4, LBN 974
Fysische gegevens
Diameter 24 lj
Afmeting 85 × 60'
Massa 24 M
Waarnemingsgegevens
Standaardepoche J2000
Rechte klimming 5u35m24s
Declinatie −5° 27'
Sterrenbeeld Orion
Schijnbare helderheid 4.0 mag
Afstand 1.344 ± 20 lj
Portaal  Portaalicoon   Astronomie
Het centrum van de Orionnevel in ware kleuren gefotografeerd door Hubble. Linksonder is de Orion Bar zichtbaar.
Het centrum van de Orionnevel in radiostraling, gemeten door het VLA

De Orionnevel is een H-II-gebied in het sterrenbeeld Orion en wordt ook aangeduid met Messier 42 of NGC 1976. De Orionnevel is in donkere nachten redelijk goed met het blote oog te zien als een wazige vlek net onder de drie gordelsterren in het "zwaard van Orion".

De nevel bevindt zich op 1.344 ± 20 lichtjaar van de Aarde. Het centrale deel van de nevel heeft een doorsnede van 5 tot 6 lichtjaar. De nevel maakt deel uit van het Orioncomplex van stervormingsgebieden.

de locatie van M42
de locatie van M42

De eerste beschrijvingen van de diffuse nevel in Orion zijn van Nicolas-Claude Fabri de Peiresc, die hem op 26 november 1610 ontdekte en van Johann Baptist Cysat die zijn waarnemingen gedaan heeft tussen 1611 en 1619. De eerste waarnemingen van drie sterren van de Trapeziumcluster zijn van Galileo Galilei (4 februari 1617). Christiaan Huygens maakte in 1659 een tekening van de nevel. In 1865 verkreeg William Huggins optische spectra van de nevel en concludeerde dat deze uit oplichtende gassen bestond[1]. De eerste foto van de nevel is gemaakt door Henry Draper in 1880. In 1831 ontdekte Robert Trumpler de Trapeziumcluster en bepaalde een afstand van 1.800 lichtjaar, iets verder dan de afstand die tegenwoordig wordt aangenomen[2]. De Orionnevel is nu een van de meest bestudeerde objecten aan de hemel.

De Orionnevel bestaat uit M42 (NGC 1976) en M43 (NGC 1982). Beide objecten worden gescheiden door een absorptienevel. De diameter van de Orionnevel is ongeveer 24 lichtjaar. Een opvallende structuur ten zuidoosten van het centrum van de nevel is de Orion Bar (balk van Orion), gevormd door een ionisatiefront.

De nevel bestaat uit geïoniseerd gas met een totale massa van ongeveer 24 zonsmassa's[3]. De (elektronen-)dichtheid in het centrum van de nevel is ongeveer 10.000 cm−3 terwijl de dichtheid in de buitendelen minder dan 1000 cm−3 is. De temperatuur van het gas is 10.000 K in het centrum en ongeveer 8.000 K in de buitendelen[4]. Het gas in de nevel bestaat vooral uit waterstof met ongeveer 10% helium en kleine hoeveelheden andere elementen. Het geïoniseerde gas zendt radiostraling uit, die ontstaat als remstraling. De nevel is de sterkste radiobron in het sterrenbeeld Orion en wordt daarom ook Orion A genoemd.

De nevel wordt geïoniseerd door een aantal hete jonge hoofdreekssterren, die deel uitmaken van een open cluster die de Trapeziumcluster wordt genoemd. De helderste ster daarvan is de dubbelster Theta1 Orionis C (spectraalklasse O6V en B0V; massa 33 en 11 zonsmassa's). De hele cluster telt ongeveer 2000 leden binnen een straal van 10 parsec. De Hubble Space Telescope heeft zeer gedetailleerde foto's van de Orionnevel gemaakt. Te zien is dat minimaal 150 jonge sterren een schijf van gas en stof om zich heen hebben, die het begin van een planetenstelsel aanduiden, zogenaamde protoplanetaire schijven (proplyds).

Andere protosterren zijn nog bezig zich te vormen in de moleculaire wolken die geassocieerd zijn met de nevel (bijvoorbeeld het Becklin-Neugebauer object). De moleculaire wolken geassocieerd met de nevel bevatten genoeg gas om de vorming van duizenden sterren mogelijk te maken. Deze wolken bevinden zich achter (OMC-1 (Orion Molecular Cloud-1)), ten noorden (OMC-2 en OMC-3) en ten zuiden (OMC-4) van de nevel[5]. De massa van deze vier wolken is ongeveer 4300 zonnemassa's, dus veel groter dan de massa van de nevel. Op hun beurt maken deze vier wolken deel uit van een moleculaire reuzenwolk in het Orioncomplex.

De open mond van een vis, of een pareidolie van iets wat daarop lijkt, is als donkere inham te zien in het helderste gedeelte van Messier 42, net ten noordoosten van de trapeziumsterren. Engelstalige astronomen en amateurastronomen noemen deze inham Fish's mouth.

NGC 1980 en Nair al Saif

[bewerken | brontekst bewerken]

Net ten zuiden van de Orionnevel bevindt zich de open sterrenhoop NGC 1980 waarvan de lucida (de helderste ster) Nair al Saif is (iota Orionis / 44 Orionis). Astronomen noemen NGC 1980 Het verloren juweel van Orion (The Lost Jewel of Orion) en ook Het lagere gedeelte van het zwaard (The Lower Sword).

NGC 1973, NGC 1975, NGC 1977 en NGC 1981

[bewerken | brontekst bewerken]

Net ten noorden van Messier 42 en Messier 43 bevinden zich de nevels NGC 1973 en NGC 1975, alsook de open sterrenhopen NGC 1977 en NGC 1981.

Geostationaire satellieten waarnemen vanuit de Benelux

[bewerken | brontekst bewerken]

De gordel van geostationaire satellieten bevindt zich, vanuit de Benelux gezien, twee graden ten zuiden van de Orionnevel. Telescopen met volgmechanismen, gericht op het gebied omstreeks de ster Thabit (Upsilon Orionis) kunnen, in het beeldveld, langzaam voortschrijdende lichtpuntjes te zien geven. Deze lichtpuntjes zijn gereflecteerd zonlicht afkomstig van geostationaire satellieten.

Radiobron PKS 0532-054 / 3C145 / 4C-05.21

[bewerken | brontekst bewerken]

Bladzijde 373 in Alan Hirshfeld's en Roger W. Sinnott's Sky Catalogue 2000.0 - Volume 2 meldt de aanwezigheid van radiobron PKS 0532-054 / 3C145 / 4C-05.21 in of nabij Messier 42.

Becklin's ster

[bewerken | brontekst bewerken]

Op 5h 35.3m / -5° 23' (2000.0), in Messier 42, bevindt zich de infraroodbron IRC -10093, ook bekend als Becklin's ster. Deze ster bevindt zich nabij het Becklin-Neugebauer object, 5h 35.2m / -5° 22' (2000.0).

Chanal's object

[bewerken | brontekst bewerken]

Op 5h 34.8m / -5° 34' (2000.0), in het westelijk deel van Messier 42, bevindt zich NSV 2229 (V1118 Orionis), bij astronomen bekend als Chanal's object. [6]

Kleinmann-Low nevel

[bewerken | brontekst bewerken]

De Kleinmann-Low nevel is een infraroodbron in Messier 42, op 5h 35.3m / -5° 22' (2000.0).

Ney-Allen nevel

[bewerken | brontekst bewerken]

De Ney-Allen nevel is eveneens een infraroodbron, in de buurt van Theta1 Orionis in Messier 42.

Kosmisch sleutelgat

[bewerken | brontekst bewerken]

Een graad ten zuiden van de Orionnevel is het Kosmisch sleutelgat (Cosmic Keyhole) te vinden, een merkwaardig gevormd silhouet tegen de achtergrond van de reflectienevel NGC 1999.

Hamerkopnevel

[bewerken | brontekst bewerken]

Op 5h 33.7m / -5° 40' (2000.0), ten zuidwesten van de trapeziumsterren in Messier 42, is volgens Alan Hirshfeld's en Roger W. Sinnott's Sky Catalogue 2000.0 - Volume 2, de Hamerkopnevel (Hammerhead Nebula) te vinden.

Anderhalve graad ten westen van Messier 42 is het sterrenstelsel NGC 1924 te vinden.

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Orion Nebula van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.