Sociëteit van Berbice
Sociëteit van Berbice | ||
|---|---|---|
| Locatie | ||
| Hoofdkantoor | Amsterdam | |
| Status en tijdlijn | ||
| Opgericht | 1720 | |
| Opgeheven | 1848 | |
| Organisatiestructuur | ||
| Rechtsvorm | vennootschap | |
| Type | onderneming | |
| Prijzen en erkenningen | ||
| Archieflocatie | Nationaal Archief[1] | |
De Sociëteit van Berbice werd op 24 oktober 1720 opgericht door de eigenaren van de kolonie Berbice[a] om meer geld te verkrijgen voor het beheer en de exploitatie van de kolonie. De sociëteit van Berbice werd opgericht in navolging van de Sociëteit van Suriname, die in 1683 was opgericht in de naburige kolonie Suriname.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Amsterdamse koopmannen hadden de kolonie op 24 oktober 1714 voor ƒ108.000 van de Fransen overgekocht die het in 1712 hadden aangevallen en ingenomen van de Zeeuwse familie Van Peere.[3] De eigenaren van Berbice sloten een nieuw akkoord met de Tweede Geoctroyeerde West-Indische compagnie (WIC) tot het leveren van Afrikaanse slaven door de compagnie en het betalen door de directie van (recognitie)geld voor ieder naar Berbice varend schip.
In 1763 vond de grootschalige slavenopstand van Berbice plaats met een jaar van bezetting en verwoesting van de plantages. De meeste plantage-eigenaren ontvluchtten de kolonie en alleen de kuststrook bleef in handen van de kolonisten.[4] De opstand werd in 1764 onderdrukt en het gebied werd heroverd,[4][3] maar de Sociëteit van Berbice was in ernstige financiële problemen geraakt. In deze gebeurtenis verliezen in Berbice in totaal ongeveer 40 van de 346 Europese kolonisten en 1800 van de 3833 slaven met Afrikaanse achtergrond het leven.[5] De Staten van Holland en West-Friesland werd om een lening gevraagd. In 1773 was ƒ134.815 van de ƒ786.354 afgelost en werd surseance van betaling aangevraagd. Er zijn geen bewijzen dat het restant ooit betaald is.[6]
Gezien de zeer slechte financiële toestand van de West-Indische Compagnie aan het einde van de achttiende eeuw, besloten de Staten-Generaal van de Nederlanden in 1791 het octrooi van de Sociëteit van Berbice niet langer te verlengen. Vier jaar later bepaalden zij tevens dat de Sociëteit van Suriname en ook de directie van Berbice zouden ophouden te bestaan op 30 oktober 1795.
Op 1 november werd het West-Indisch Comité opgericht voor alle koloniën ten westen van de Kaap de Goede Hoop. Het comité zetelde in Den Haag en werd bestuurd door 21 leden. Twee werden benoemd door de Staten Generaal, zes door Amsterdam, drie door Zeeland. Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen hadden elk twee leden.[7][8]
Op 17 april 1848 werd de vennootschap van de Sociëteit van Berbice daadwerkelijk opgeheven.[9]
Plantages
[bewerken | brontekst bewerken]In 1722 werden negen plantages aan de Berbicerivier opgericht en werd koffie geïntroduceerd.[10]
In 1815 was de sociëteit eigenaar van de plantages Dageraad, Dankbaarheid, St. Jan (ook Johanna genoemd) en Sandvoort. Er werd suiker, koffie en rum geproduceerd.[11]
Op 25 augustus 1818 werden de plantages en 683 slaven verkocht aan Davidson’s, Barkly & Co. voor ƒ792.000.[9] Dageraad werd later aan de overheid doorverkocht en gebruikt als leprozerie. Dankbaarheid werd hernoemd als Highbury. Op 5 mei 1838 arriveerden in Highbury de eerste 250 contractarbeiders (destijds "koelies" genoemd) uit Calcutta.[12]

Boven: de schaal (links) en drie cartouches met elk drie wapenschilden.
Linksonder: "Naamlijst der Eigenaars van de Plantagie Gelegen aan Rio de Berbice en Rio de Canje in de colonie de Berbice": totaal 113 nummers.
Rechtsonder: titelcartouche met een inheemse bewoner van Guyana en een tot slaaf gemaakte man.
Voetnoten
- ↑ De kolonie Berbice (hedendaags Guyana) behorende tot Nederlands-Guiana. Soms ook geschreven als "Colonie de Berbiçe".[2]
Referenties
- ↑ https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.05.05.
- ↑ Indexen - Obligatie - Colonie de Berbiçe: Plantage De Waakzaamheid. archief.amsterdam. Stadsarchief Amsterdam. Geraadpleegd op 9 mei 2026.
- 1 2 Netscher 1888.
- 1 2 Opstand in Berbice in 1763. Geraadpleegd op 10 mei 2026.
- ↑ Netscher, Pieter Marinus (1888). Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd. Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage "De geregelde bevolking van Berbice, d. w. z.: zonder de vrije 1762 Indianen te rekenen, die in het gebied der kolonie woonden, was bij den aanvang van het jaar 1762 zamengesteld als volgt: Op het fort Nassau en in de z.g. stad Nieuw-Amsterdam een dertigtal officieren en hoogere en lagere beambten, allen Europeanen, benevens 150 negerslaven en 10 Indiaansche of roode slaven. Op de elf Kolonie- of Societeits-plantages 40 Europeanen, 1061 negers en 80 Indianen. In de 4 divisiën der kolonie, over ongeveer 84 in cultivatie zijnde particuliere plantages verdeeld: 216 Europeanen, 2622 negers en 204 Indiaansche slaven. Voorts nog een zestigtal soldaten op het fort Nassau, met kleine detachementen op post St. Andries aan de Brandwacht en aan den post bij de Accoway-Indianen. - Totaal bedroeg dus de bevolking: 346 blanken, 244 Indianen en 3833 negers of 4423 zielen. Tot deze nauwkeurige gegevens, die een bevolkingscijfer geven iets grooter dan Hartsinck en Dalton vermelden, zijn wij gekomen door raadpleging van het jaarlijksch verslag van den Gouverneur met nominatieve lijst der ambtenaren en van de officieele lijst der hoofdgelden voor dat jaar opgemaakt, beiden op het R. Á. voorhanden. Laatstgenoemde lijst is mede te vinden in de gedrukte Res. der Staten van Holl. en West-Friesl. van 1763. Aangezien de nieuw aangelegde particuliere plantages, die voor 10 jaren vrijdom van hoofdgeld hadden, hier niet in voorkomen, moet het totaal bevolkingscijfer zelfs nog eenige honderden hooger gerekend worden. Ook nam het getal der Kolonie-slaven (eigendom der Directie) in den loop van het jaar 1762 en in het begin van 1763 toe, door den aanvoer van een paar ladingen negers uit Afrika, maar ten gevolge van de steeds hevig woedende ziekte werd het getal Europeanen met den dag kleiner."
- ↑ Netscher 1888, p. 256.
- ↑ Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de Directie ad Interim, Raad der Koloniën, pp.5, 9

- ↑ Inventaris van het archief van het Comité tot de Zaken van de Koloniën en Bezittingen op de Kust van Guinea en in Amerika, pp.8-9
- 1 2 "Overzicht der zittingen van de beide Kamers.", De West-Indiër : dagblad toegewijd aan de belangen van Nederlandsch Guyana, 10 oktober 1888. Geraadpleegd op 10 mei 2026.
- ↑ (en) Odeen Ishmael, Guyana News, The beginning of the Colony Berbice, hoofdstuk 12
- ↑ Paul Koulen (2014), Lijst van eigenaren van plantages, en houders van hypotheken op plantages in Berbice, Demerara en Essequebo, 1818-1819 (transcriptie), cbg.nl, p.2
- ↑ (en) Guyana Times International, The history of Highbury, 14 juni 2013
Bibliografie:
- Archief van de Sociëteit van Berbice bij het Nationaal Archief in Den Haag
- Netscher, Pieter Marinus (1888). Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd. Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage.