close
Naar inhoud springen

jus

Uit WikiWoordenboek
A 1. Een kommetje jus.

(heteroniem)

  • jus
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord jus -
verkleinwoord justje justjes

[A]dejusm

  1. (voeding) (kookkunst) saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
    • Zuurkool met vette jus
      Soep vooraf, ja dat is mijn menu
      Kaantjes met bruine bonen
      Flink veel ei, niet van dat gewone
      Blokken kaas met mayonaise
      Warme friet en ook saucijzen
      Sperciebonen uit het vet
      Pap van brood, zo is het maar net
      (Sjef van Oekel)
       
  2. (drinken) sap geperst uit een sinaasappel
[B] enkelvoud meervoud
naamwoord jus jura
verkleinwoord - -

[B]dejusm

  1. (juridisch) geheel van rechtsregels (alleen in onderstaande Latijnse verbindingen)
  2. (juridisch) aanspraak op grond van rechtsregels (alleen in onderstaande Latijnse verbindingen)
98 %van de Nederlanders;
93 %van de Vlamingen.[4]
  • Ontwikkeld uit Oudfrans jus, jous, uit Latijn ius, (genitief) iuris "saus, jus", "soep" [1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  jus     le jus     jus     les jus  

jus m

  1. sap
  2. (spreektaal) koffie, troost
    «J'vais me faire un bon jus
    Ik ga een lekker bakkie troost zetten. [2]
  3. (spreektaal) majem, water [2]
  4. (spreektaal) stroom
    «Mon beauf a mis le jus dans mon appart.»
    Mijn zwager heeft de stroom aangesloten in mijn flat.
    «Putain, il n'y a plus de jus dans mon portable!»
    Verdomme, de batterij van mijn mobiel is op! [2]
enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief þu*jutjus
accusatief þukigqisizwis
genitief þeinaigqisizwara
datief þusigqaraizwis

jus

  1. jullie (nominatief van de tweede persoon meervoud)