close
Naar inhoud springen

nabij

Uit WikiWoordenboek
  • na·bij
  • In de betekenis van ‘bijwoord van plaats’ voor het eerst aangetroffen in 1357 [1]
  • samenstelling van  na  en  bij  [2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen nabijnabijernabijst
verbogen nabijenabijerenabijste
partitief nabijsnabijers-

nabij

  1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
     In 1973 werden er in Mawangdui nabij Changsha twee DDJ-manuscripten op zijde gevonden.[3]
    • Het nabije heelal is onderwerp van deze studie. 
     Dat had de bodem gelegd voor de welstand, om niet te zeggen overvloed, van de voltallige familie voor de nabije toekomst.[4]
  2. zich in de naaste toekomst bevindend
     Niets kan hun hart, dat de dood nabij is, doen herleven.[3]

nabij

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
  2. dichtbij, direct in de buurt
    • Ik ken hem al jaren van nabij. [5]
     Ik speelde al een tijdje met de gedachte om alleen verder te lopen en voelde dat dat moment nabij was.[6]

nabij

  1. in de onmiddellijke omgeving van
    • Het museum is nabij de kerk gelegen. 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[7]