opgave
Uiterlijk
- op·ga·ve
- samenstelling van op en gave
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | opgave | opgaven |
| verkleinwoord |
- (wiskunde) rekensom, raadsel
- De opgaven in deze toets zijn meerkeuzevragen.
- een moeilijke klus, onderneming
- Het winnen van deze wedstrijd zal een schier onmogelijke opgave zijn.
- ▸ Dat is geen gemakkelijke opgave, zegt gedragswetenschapper Merkelbach. "Verandering leidt altijd tot weerstand." Zeker bij ingesleten gewoontes zijn veranderingen volgens haar lastig, en fietsen zonder helm is voor Nederlanders doodnormaal.[1]
- het opgeven (van de strijd)
- Na de opgave van zijn tegenstander ging de tennisser automatisch door in het toernooi.
- een document dat financiële activiteiten samenvat
- Ik heb een opgave ontvangen van mijn betaalde premies.
- Het woord opgave staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "opgave" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑
Weblink bron Noor de Kort“Nederlanders willen geen fietshelm, maar dat gaat misschien veranderen” (16 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wiskunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %