reisde
Uiterlijk
- reis·de
| vervoeging van |
|---|
| reizen |
reisde
- enkelvoud verleden tijd van reizen
- Ik reisde.
- Jij reisde.
- Hij, zij, het reisde.
- Ik reisde.
- ▸ Carola reisde naar Utrecht, zorgde voor een adres waar de zwangerschap onopvallend beëindigd kon worden en sleurde Lydie naar een leeszaal, waar zij haar de griezeligste platen uit de encyclopedie liet kijken, ten einde haar te doordringen van alle gevaren, die roekeloos vader en moedertje spelen konden opleveren.[1]
- ▸ Daarna reisde het gezelschap naar de beroemde universiteitsstad Bologna, en bleef er tot oktober 1507.[2]
- reisde af
- ▸ Ook in hun gezin waren ziektes en tegenslagen geweest, en op zulke momenten reisde mijn moeder af om hen bij te staan.[3]
- reisde door
- ▸ In deze hoedanigheid reisde hij intensief door het hele Midden-Oosten.[4]
- reisde in
- reisde mee
- reisde na
- reisde om
- reisde rond
- reisde terug
- reisde uit
- Het woord reisde staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ “De tranen der acacia's”
(1949), G.A. van Oorschot
, ISBN 9789028242364 - ↑ Jan Bloemendal“Erasmus” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312541 - ↑ Teuntje de Haan“Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij
, ISBN 9789021409375 - ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244