close
Naar inhoud springen

spook

Uit WikiWoordenboek
spook
  • spook
enkelvoud meervoud
naamwoord spook spoken
verkleinwoord spookje spookjes

hetspooko

  1. (mythologie) een veronderstelde geestverschijning die een bepaald gebouw of andere locatie onveilig maakt
    • In dit kasteel is regelmatig een spook waar te nemen. 
  2. (figuurlijk), (pejoratief) een vervelend persoon
    • Wat een verwend spook is dat! 
  3. (figuurlijk) doembeeld, schrikbeeld
    • Het spook van een recessie. 
vervoeging van
spoken

spook

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
    • Ik spook. 
  2. gebiedende wijs van spoken
    • Spook! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spoken
    • Spook je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]